D/t-fouten voorkomen met dit stappenplan van Content & Stories

D/t-fouten voorkomen met deze stappen
Leestijd: 5 minuten

Moet er een d of een t aan het einde van dit werkwoord? Het is een van de meest gestelde taalvragen online. Ook voor volwassenen is dit blijkbaar geen gesneden koek, als je ziet hoe vaak het misgaat. Geeft niks. In dit stappenplan van Content & Stories zet ik de taalregels op een rijtje en deel ik mijn eigen tricks om te d/t-fouten te voorkomen. Lees dus snel verder.

Is het werkwoord tegenwoordige tijd, verleden tijd of voltooid deelwoord?

Hoe zat het ook alweer met die werkwoorden? Om d/t-fouten te voorkomen is een stukje theorie onmisbaar. Daarom hierbij de basis van werkwoorden vervoegen in mijn eigen woorden. Alle bagage die je niet nodig hebt om foutloos werkwoorden te schrijven gooi ik bij deze overboord.

Tegenwoordige tijd

Welkom in het nu, het heden. Werkwoorden in de tegenwoordige tijd herken je als volgt.

Ik fiets, jij fietst, hij fietst, wij fietsen, zij fietsen.

Ik zeg, jij zegt, hij zegt, wij zeggen, zij zeggen.

Ik word, jij wordt, hij wordt, wij worden, zij worden.

Het werkwoord dat achter ‘ik‘ staat is trouwens de stam. Fiets, zeg en word in bovenstaande voorbeelden. De stam hebben we nodig als we bij stap 2 de taalregels gaan toepassen.

Verleden tijd

Taal die zich in het verleden afspeelt herkennen we als volgt.

Ik fietste, jij fietste, hij fietste, wij fietsten, zij fietsten.

Ik zei, jij zei, hij zei, wij zeiden, zij zeiden.

Ik werd, jij werd, hij werd, wij werden, zij werden.

Je ziet dat het werkwoord fietsen een extra t krijgt in de verleden tijd. Ik fiets wordt ik fietste. Het is een zogenaamd zwak werkwoord, omdat hij in de verleden tijd niet van klank verandert. De andere twee voorbeelden zijn sterke werkwoorden. Zij veranderen wel.

Een ander zwakke werkwoord is reizen. In de tegenwoordige tijd ziet dit werkwoord er zo uit:

Ik reis, jij reist, hij reist, wij reizen, zij reizen.

En in de verleden tijd:

Ik reisde, jij reisde, hij reisde, wij reisden, zij reisden.

Sommige werkwoorden krijgen in deze verleden tijd een d, andere een t. Waarom dat is, lees je onder stap 2, de regels toepassen. Eerst bespreek ik nog het voltooid deelwoord.

Voltooid deelwoord

Een derde belangrijke werkwoordsvorm is het voltooid deelwoord. Dat krijgt in de meeste gevallen een hulpwerkwoord. Drie voorbeeldjes.

Ik heb gefietst, zij hebben gefietst.

Ik heb gezegd, zij hebben gezegd.

Ik ben geweest, zij zijn geweest.

Meer lezen over de theorie? De Taalunie en Onze Taal hebben er veel interessante artikelen over.

De regels toepassen

Foutloos werkwoorden schrijven betekent dat je de taalregels goed moet toepassen. Het zal misschien niet direct goed gaan. Oefening baart echter foutloze werkwoorden. De regels heb ik opgesplitst in die voor tegenwoordige tijd, verleden tijd en voltooid deelwoord.

Tegenwoordige tijd

Zoals ook Onze Taal uitlegt, is er in de tegenwoordige tijd maar één vraag van belang. Komt er een t achter de stam of niet?

De stam is het werkwoord dat je krijgt als je zegt: ‘ik …’, dus ik werd, ik heb, ik geef, ik huppel, ik deel, enzovoort.

In de tegenwoordige tijd komt er nooit een d achter de stam. Daar hoef je je dus geen zorgen om te maken. Scheelt weer.

Verleden tijd

Werkwoorden in de verleden tijd worden al een stuk ingewikkelder. Sommige werkwoorden krijgen een d, anderen een t en een derde krijgt een dubbele t. Hoe zit dat precies?

Het heeft te maken met sterke en zwakke werkwoorden en de letters waarop de stam eindigt. Sterke werkwoorden krijgen in het verleden een heel andere klank. Zwakke werkwoorden krijgen altijd een d, t of dubbele t, afhankelijk van de medeklinker waarop de stam eindigt.

Een werkwoord dat eindigt op de letter t, f, k, s, ch en p krijgt altijd een t in de verleden tijd. Om die letters te onthouden is het ezelsbruggetje ‘t kofschip bedacht.

Voor elke letter bedacht ik een voorbeeld. Dit zijn de werkwoorden, hun stammen en hun verleden tijden.

beletten – belet – belette

blaffen – blaf – blafte

plakken – plak – plakte

wassen – was – waste

lachen – lach – lachte

stappen – stap – stapte

Stammen van zwakke werkwoorden die eindigen op de overige medeklinkers van het alfabet krijgen een d in de verleden tijd. Zoals deze drie voorbeelden.

luiden – luid – luidde

dwalen – dwaal – dwaalde

pinnen – pin – pinde

De uitzonderingen maken deze regel weer eens lastig. Zo zijn er leenwerkwoorden, zoals faxen. Hoewel de x niet in ‘t kofschip zit, krijgt bijvoorbeeld faxen in de verleden tijd wél een t. Het wordt faxte en gefaxt. Hoe dit precies zit kun je nalezen op de website van Onze Taal.

Voltooid deelwoord

Tot slot hebben we nog het voltooid deelwoord. Voor het voltooid deelwoord geldt hetzelfde als voor werkwoorden in de verleden tijd.

Wil je weten hoe je een voltooid deelwoord schrijft, doorloop dan deze vragen:

1. Is het een sterk of een zwak werkwoord? 

2. Is het zwak? Wat is dan de stam van het werkwoord? 

3. Eindigt de stam op een van de medeklinkers uit ‘t kofschip?

-> Dan komt er een t in het voltooid deelwoord, uitzonderingen daargelaten.

4. Eindigt de stam niet op een van de medeklinkers uit ‘t kofschip?

-> Dan komt er een d in het voltooid deelwoord.

Ik doorloop als voorbeeld deze vragen voor het werkwoord dromen.

1. Is het een sterk of een zwak werkwoord?

Dromen is een zwak werkwoord. Het krijgt in de verleden tijd namelijk geen andere klank. Ik droom, droomd/te.

2. Is het zwak? Wat is dan de stam van het werkwoord? 

De stam is droom.

3. Eindigt de stam op een van de medeklinkers uit ‘t kofschip?

De stam van droom eindigt op een m, dat zit niet in ‘t kofschip.

4. Eindigt de stam niet op een van de medeklinkers uit ‘t kofschip?

De stam van droom eindigt op een m, dus er komt een d achter.

Ons voltooid deelwoord in dit voorbeeld wordt dus gedroomd.

Deze stappen kun je trouwens ook doorlopen als je in de verleden tijd schrijft.

Dan nog deze toptip. Twijfel je of leen je woorden uit andere talen? Check dan online voor de zekerheid hoe je het zou moeten schrijven. Dat doe ik zelf ook vaak. 

Mijn eigen tips en tricks

Dit stappenplan sluit ik af met een aantal tips en tricks van mezelf. Deze gebruik ik vaak wanneer ik twijfel over de schrijfwijze van een werkwoord.

Schrijf nooit een t als…

In de tegenwoordige tijd komt er nooit een t achter het werkwoord als je schrijft ‘ik …’. Kijk maar: ik schrijf, ik stippel, ik treuzel, ik voer. 

Zet ik er een toch een t achter, dan zien onze zinnen er direct wat vreemd uit: ik schrijft, ik stippelt, ik treuzelt, ik voert.

Je vervangen door jij

Soms heb je van die zinnen dat je twijfelt. Dat overkomt mij ook regelmatig. Ik schrijf dan bijvoorbeeld deze zin:

Tijdens een reis door Marokko word je als vanzelf meegenomen naar je eigen sprookje van duizend-en-één-nacht.

Het gaat hier om die word na Marokko. Hoe weet je nu of je hier word of wordt moet schrijven?

Wat ik meestal doe, is je door jij vervangen en kijken of de zin nog loopt.

Tijdens een reis door Marokko word jij als vanzelf meegenomen naar je eigen sprookje van duizend-en-één-nacht.

Kan deze zin met jij? Verliest hij zijn betekenis niet? Dan weet ik dat het word zonder t moet zijn.

Twijfel in de verleden tijd

Als ik twijfel aan hoe ik een werkwoord in de verleden tijd of als voltooid deelwoord moet schrijven, gebruik ik vaak dit trucje. 

Bij het werkwoord bedeeld bijvoorbeeld in de zin De moderne mens is goed bedeeld/t.

Is het dan bedeelt of bedeeld? In dat geval plak ik er een e aan vast en spreek het woord voor mezelf uit: de bedeelte mens of de bedeelde mens. Je zegt bedeelde mens, dus in de zin De moderne mens is goed bedeeld. komt er een d aan het einde van het woord bedeel.

Oefenen, oefenen, oefenen

Schrijven moet je doen. Alleen door veel te schrijven ga je fouten herkennen, die je aan de hand van dit stappenplan kunt verbeteren. Alleen zo ga je uiteindelijk beter schrijven. En geen zorgen, d/t-fouten maakt iedereen wel eens. 

Lees daarnaast zo veel mogelijk. Zo leer je de taal beter kennen en krijg je er steeds meer grip op. Een goed taalgevoel helpt enorm bij het herkennen van spelfouten. Immers, als je fouten herkent kun je ze daarna verbeteren.

De serie taaltips van Content & Stories

Bij Content & Stories leer je hoe je foutloos Nederlands schrijft. In deze serie taaltips bespreek ik de meest voorkomende taalfouten en geef ik tips hoe je ze voorkomt. Zo wordt zakelijk bloggen voor je onderneming zo makkelijk als 1-2-3. 

Tip: volg Content & Stories op Twitter en blijf op de hoogte van de nieuwste taaltips.