Het verhaal van Icarus

Afbeelding bij het verhaal van Icarus
Leestijd: 4 minuten

Neerstorten als Icarus, je gunt het niemand. Vooral je eigen content niet. Maar wie was Icarus eigenlijk en waarom stortte hij neer? Je leest het hier in zijn verhaal, verteld in Content & Stories stijl.

Het verhaal van Icarus is een Griekse klassieker. Icarus was de zoon van Daedalus. Ze woonden op het eiland Kreta, waar ze door koning Minos gevangen waren gezet. Daedalus was een slimme man, uitvinder en goed met zijn handen. Maar boven alles wilde hij zijn vrijheid. Hij bedacht dus een manier om uit de klauwen van Minos te ontsnappen. En wat voor manier!

Maandenlang werkte Daedalus aan zijn plan. Hij vroeg zijn bewakers om hout, was en veren. Daar bouwde hij een paar vleugels van. Daedalus timmerde nachtenlang aan een boog van hout, smeerde daar was overheen en plakte de ganzenveren erop. Via een doordacht systeem bevestigde hij de vleugels bij zijn zoon Icarus, gewoon om te passen. De bewakers zagen het glimlachend gebeuren. Ze zagen enkel een uitvindersvader met zijn zoon, hoe leuk.

In het geheim werkte Daedalus echter door aan zijn eigen set vleugels. Op een vroege morgen, precies op het moment dat de bewakers wisselden voor de wacht, stonden hij en Icarus met de vleugels omgebonden klaar. Boven de horizon kwam de zon nét op, zo vroeg was het nog. De rest van het paleis van koning Minos was in diepe rust gedompeld. Er klonk wat gefluit van een stel vroege vogels en zelfs de zee fluisterde zijn normaal zo oorverdovend geruis.

Daedalus loodste zijn zoon richting de rotsen die een heel eind de zee in staken. ‘Kom, Icarus. Op het punt van deze landtong zijn de rukwinden minder sterk. Daar kunnen we veilig opstijgen.’

Zo liepen vader en zoon in stilte hun vlucht tegemoet, onwetend dat dit de laatste keer was dat ze zo naast elkaar zouden lopen.

Aan het einde van de landtong aangekomen namen Daedalus en Icarus even de tijd om de wind te ijken. ‘Icarus, er zijn twee dingen die je niet mag vergeten als je zometeen in de lucht bent.’ Daedalus keek zijn zoon aan en zag hoeveel moeite het hem kostte om op land te blijven staan. Icarus wilde vliegen. Dat was wel duidelijk.

‘Kom niet te dicht bij de golven. Het opspattende water maakt de veren zwaar. Voor je het weet, stort je in zee.’

Icarus knikte met slecht verborgen ongeduld. ‘Ja, weet ik, pa.’

‘Maar vlieg ook niet te hoog. Dan smelt de zon de was van de vleugels en vallen ze uit elkaar.’ Dat Icarus niet echt meer luisterde, zag zijn vader wel, maar hij herhaalde toch zijn boodschap niet.

Bij de daarop volgende windvlaag sprong Icarus van de rotsen af. Daedalus voelde de kracht in zijn benen verdwijnen en telde tot tien. Toen hij bij acht was, zeilde Icarus vlak voor hem omhoog. Het was gelukt! Het was hem gelukt! Een lach borrelende op. Even later zoefde hij zelf over de golven. Dit was vrijheid. Vrijheid!

Zoon en vader zeilden samen met de wind naar het noorden. Onder hen gleed de Egeïsche Zee voorbij, met hier en daar een scheepje en een groen eilandje. De lucht om hen heen was zonder wolken en intens blauw. Daedalus genoot van de warme zonnestralen en de wind die hem zijn vrijheid schonk. Voor hem uit vloog zijn zoon, Icarus.

De jongen maakte wat duikvluchten, maar wel voorzichtig. Nooit te dicht bij de golven, nooit te hoog. Precies op de juiste plek in de lucht. Maar jongeren blijven jongeren en ook Icarus ging zijn grenzen opzoeken. En dan vooral de grenzen van zijn vleugels. Hij begon steeds dieper te duiken, tot het schuim van de golven zijn tenen raakte.

‘Icarus! Denk aan de zee!’

Daedalus riep zijn zoon tot de orde, die schoorvliegend weer zijn plek innam vlak onder zijn vader.

Even later verschenen er bergtoppen aan de horizon. De eilanden rondom Paros, wist Daedalus. ‘Icarus, dat is Paros!’ Hij wees zijn zoon op de spitsen. ‘Wauw, pa! We zijn er bijna!’ Icarus veranderde de hoek van zijn vleugels en begon te klimmen, steeds sneller, en sneller. Voor Daedalus ook maar iets kon doen, vloog Icarus hoog boven hem en ver voor hem uit. Zijn hart sloeg een tel over. Te hoog. Hij is te hoog.

Icarus werd steeds warmer. Hij sloot zijn ogen. Hoe heerlijk om die zon op zijn gezicht te voelen branden na al die tijd in de gevangenis. Bijna thuis. Dit was het leven. De wind stuwde hem omhoog, steeds dichter naar de warmtebron, de zon, naar Helios, de zonnegod. Tot hij ineens naar links gerukt werd. In een reflex probeerde Icarus zijn linkervleugel weer onder de wind te krijgen, maar die blies alleen maar, stuwde niet meer. Hij begon te draaien, te dalen. Icarus opende zijn ogen en zag een leeg houten raamwerk aan zijn linkerarm zitten.

Terwijl hij keek en probeerde te bevatten wat hij zag, werd zijn rechterarm ineens loodzwaar. Hij keek net op tijd om te zien hoe de vleugels vol gesmolten was door de wind werden weggeblazen. Allebei zijn vleugels waren weg. De zon was meedogenloos geweest en had zijn vleugels vernield. Icarus had nauwelijks kans om dit te bevatten of hij viel, steeds sneller en sneller. Hij kreeg het steeds kouder en kouder, tot de golven hem opvingen en tot op het bot doorweekten.

Daedalus zag dit alles voor zijn ogen gebeuren. Zijn zoon, zijn vrijheid, zijn alles. Het was hem niets meer waard nadat Icarus’ leven werd uitgedoofd. Aan al zijn slimheid had Daedalus niets toen hij zijn zoon later een zeemansgraf moest geven.

Hoogmoed komt voor de val. Letterlijk.